Wachtwoord vergeten? Nog geen account? Maak er één aan!
  • Narrow screen resolution
  • Wide screen resolution
  • Auto width resolution
  • Increase font size
  • Decrease font size
  • Default font size
  • default color
  • red color
  • green color
kantoor ruimtes voor stichting dimitri ter beschikking gesteld Afdrukken E-mail

 

Stichting Dimitri heeft in Nieuwegein aangeboden gekregen een kantoor Unit 6x4 meter met gebruik van vergader ruimte.

Dit is beschikbaar gesteld door Euro Beveiligings Groep te Nieuwegein.

 

------------------

Stichting dimitri heeft ook een volledig ingericht kantoor ruimte 5 x 3 meter beschikbaar gekregen van john kleijn te Lienden.

 

------------------

 
Vandaag is ons een rekeningnummer toegekend voor stichting DIMITRI. Afdrukken E-mail

Goedendag beste mensen,

 

Vandaag is ons een rekeningnummer toegekend voor stichting DIMITRI.

 

1288.86.838   Rabo Verenigings rekening

 

"stichting dimitri"  staat voor een doel dat streeft naar een minimalisatie van medische fouten.

Daarom is het belangrijk voor onze stichting dat er zsm een rekeningnummer kwam.

We gaan in Nederland duidenlijk maken welke ernstige problemen er zijn in de zorg die te voorkomen zijn.

Daarom is ook een onafhankelijke stichting nodig die ook daadkracht durft te stellen en daarmee ook veranderingen teweeg brengt.

Dus is geld een belangrijk gegeven. Een onafhankelijke en financiële krachtige stichting word en zal dan ook zeer serieus genomen gaan worden.

Dus u kunt bij deze al een bijdrage doen en of doorgeven van onze website www.dimitri.nu er komt ook ieder moment een aparte vermelding van de stichting met zijn eigen informatie.

 

1288.86.838 Rabobank te name van stichting Dimitri te Lienden.

 

met vriendelijke groeten,

 

John Kleijn

 
Een 2e mening (second opinion) is niets anders dan een 2e advies dat u vraagt van een andere .... Afdrukken E-mail

Second opinion

Een 2e mening (second opinion) is niets anders dan een 2e advies dat u vraagt van een andere, onafhankelijke specialist op het gebied van uw aandoening. Indien u een goede arts-patiënt relatie heeft en indien u een goede uitleg heeft gekregen over de problematiek die bij u speelt ervaart u meestal dat u voldoende geïnformeerd bent om een keuze te maken waar u zelf achter staat. Desondanks kunt u toch de behoefte voelen aan een second opinion.

Een second opinion is heel normaal. Zeker als u een ingrijpende behandeling moet ondergaan kan het zijn dat u behoefte hebt aan een 2e mening. Immers zeker indien u ervaart dat u uit een andere mond in essentie hetzelfde verhaal hoort kan dat een gunstige invloed hebben op uw gemoedstoestand. Een ander verhaal daarentegen stelt voor de keuze van behandelaar.

Een second opinion is iets anders dan het simpelweg wisselen van behandelaar omdat de arts-patiënt relatie om een of andere reden niet goed verloopt en u besloten hebt uw heil bij een andere behandelaar te zoeken. Na het verkrijgen van een  second opinion van een andere specialist kan het zijn dat u terugkeert bij uw oorspronkelijke behandelaar of blijft bij de tweede specialist omdat u hem/haar bv. meer vertrouwt of anderszins. Daar is niets mis mee want u hebt een vrije keuze van behandelaar.

Er kunnen diverse redenen zijn om een second opinion te gaan zoeken b.v.:

  • u kunt kiezen tussen meerdere behandelingsopties, b.v. borstsparende operatie versus borstamputatie, een gipsbehandeling versus een operatie voor uw gebroken enkel, lapband versus een andersoortige maagverkleining etc etc.
  • u heeft moeite u neer te leggen bij een eindfase in de behandeling, b.v.u bent teleurgesteld over het feit dat uw kwaadaardige tumor helaas niet voor operatie in aanmerking komt, of u vraagt zich af of  u al of niet in aanmerking komt voor chemotherapie
  • alle uitleg van uw primaire behandelaar ten spijt hebt u toch gevoel dat u toch onvoldoende geïnformeerd bent

Het geven van een second opinion kost tijd en voorbereiding. Om een second opinion zo waardevol mogelijk te laten zijn moet u er voor zorgen dat u alle relevante informatie meeneemt of evt. van te voren opstuurt, i.e. röntgenfoto's en andere uitslagen cq. correspondentie.

Aan de andere kant vinden wij het geen probleem als u na een primaire behandeling bij ons, een second opinion wilt vragen aan een ander. Wij zullen hieraan zo goed mogelijk meehelpen en u van de relevante informatie voorzien.

 

bron: www.chirurgenoperatie.nl

 
Groot medisch onderzoek in Noord-Nederland - reactie john kleijn Afdrukken E-mail
Groot medisch onderzoek in Noord-Nederland
GRONINGEN - Maandag begint in het noorden van het land een groot gezondheidsonderzoek. Onder leiding van het UMC Groningen worden dertig jaar lang 165.000 mensen gevolgd.

De eerste tweeduizend personen worden vanaf maandag onderzocht in Sneek.


Het ziekenhuis in Groningen wil door middel van dit onderzoek achterhalen hoe chronische ziekten ontstaan. Ziektes als diabetes en astma kunnen daardoor in de in de toekomst beter opgespoord en behandeld worden.

In eerste instantie worden voor het gezondheidsonderzoek 30.000 mensen in de leeftijd van 25 tot 50 jaar benaderd. Daarna wordt de partners van die groep gevraagd aan het onderzoek mee te werken en tenslotte ook hun ouders of kinderen.

------------------- REACTIE JOHN KLEIJN

 

Is het onderzoek er inderdaad om voor de toekomst beter onderzoek en behandeld te worden.

Of is het onderzoek een voorstart naar de andere delen van nederland om straks een compleet overzicht over alle burgers te krijgen voor de frote zaken mensen die achter de zorg gaan zitten. Verzekeraars die uitsluitingen kunnen gaan doen, of tegen riante vergoedingen kan men zich dan verzekeren. Of uitsluiten vanwegen een te grote risico. Zoals bij auto verzekeringen. 3 x schade en je word eruit gegooid. Het is toch ook ongelovelijk voor woorden dat de top zakenmensen het nu al over big business  en dan spreken we over "gezondheidszorg" Hoogervorst en consorte hebben hun ruime bijdrage geleverd. Zakken vullen over de rug van de burgers word het.

 
Tuchtcollege:waarschuwingen na overlijden baby Afdrukken E-mail

Tuchtcollege:waarschuwingen na overlijden baby 

Bij een derde serieuze hulpvraag moét een patiënt worden gezien door een arts en mag deze niet in ‘de fuik lopen van triage door een niet-arts’ (lid 5.5).

De feiten: een baby met koorts wordt gezien door de eigen huisarts, die het op een griepje houdt. Twee uur later belt de ongeruste moeder hem opnieuw. De huisarts stelt haar weer gerust en verwijst haar voor verdere vragen naar de dokterspost. Midden in de nacht belt zij die post - haar baby heeft inmiddels ook rode vlekken gekregen - en de moeder wordt door de assistente aldaar wederom gerustgesteld. Een paar uur later belt zij nogmaals: de vlekken zijn inmiddels bloedrode stippen geworden. De assistente bestelt haar een uur later op de post omdat de dienstdoende dokter nu visite zou rijden. Niet waar, zo bleek later.
De moeder belt daarna vergeefs 112 en dan maar weer haar eigen huisarts die, alhoewel hij geen dienst heeft, toch via zijn mobieltje bereikbaar is. Deze verwijst haar toch weer naar de dokterspost. Als de - ook aangeklaagde -huisarts aldaar de baby eindelijk bekijkt, wordt de ernst duidelijk. Ziekenhuisopname mag niet meer baten. Een paar dagen later overlijdt het jongetje aan een meningeale sepsis.

Hoewel hij zich betrokken had getoond, wordt de klacht tegen de eigen huisarts gegrond verklaard maar zonder strafoplegging: een buitenwettelijke maatregel. Waarom, zo kun je je afvragen, komt het Centraal Tuchtcollege tot dit oordeel en verklaart het de klacht niet ongegrond nu het een nieuwe norm toepast, die de arts in kwestie dus ook niet had kúnnen kennen? Overigens is het een andere vraag of het tuchtcollege met deze nieuwe norm niet op de stoel van de richtlijnmakers gaat zitten en wellicht de beroepsgroep had kunnen vragen zelf tot normaanpassing te komen.

De arts op de dokterspost krijgt wél een waarschuwing omdat zij bij de herhaalde hulpvraag de regie in handen had moeten nemen. De klacht tegen de centralisten van 112 is door het CTG nog aangehouden. Terugkijkend heeft de moeder tot de ziekenhuisopname zeven maal medische hulp gezocht. Uiteindelijk tevergeefs.
Dat het tuchtcollege grote nadruk legt op het aantal keren dat hulp is gezocht, is begrijpelijk. Maar het gaat helaas volkomen voorbij aan het veronachtzamen van een van de belangrijkste alarmsymptomen van een kind met koorts: petechiën. De triage door de dokterspost is gewoon niet goed uitgevoerd, onafhankelijk van het aantal keren dat hulp is gezocht.

Bron: Medisch Contact

Uitspraak Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg d.d. 30 mei 2006
(ingekort)

Beslissing in de zaak onder nummer 2005/058 van: A, wonende te B, appellante, klaagster in eerste aanleg, raadsvrouw: mr. A.C. de Die, advocaat te Den Haag, tegen C, huisarts, wonende te B, verweerder in beide instanties, raadsman: mr. M.J.J. de Ridder, advocaat te Utrecht.

1 .Verloop van de procedure
Appellante - hierna te noemen klaagster - heeft op 18 juni 2003 bij het Regionaal Tuchtcollege te ‘s Gravenhage tegen verweerder - hierna te noemen de huisarts - een klacht ingediend. Bij beslissing van 4 januari 2005, onder nummer 2003 T 105a, heeft dat College de klacht afgewezen. Klaagster is van die beslissing tijdig in hoger beroep gekomen. De huisarts heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend. De zaak is in hoger beroep, tegelijkertijd met de zaak 2005/059 tegen een huisarts werkzaam op een huisartsenpost (verder in deze zaak aan te duiden als huisarts 2) en de zaak 2005/060 tegen een verpleegkundige werkzaam als centraliste op de Centrale Post Ambulance­vervoer D (CPA) te B, behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 14 maart 2006, waar zijn verschenen klaagster en haar partner, bijgestaan door mr. De Die, en de huisarts, bijgestaan door mr. De Ridder.
Ter zitting is op verzoek van klaagster E., oud-kinderarts en oud-inspecteur voor de volksgezondheid, als deskundige gehoord. De raadslieden van partijen hebben hun zaak bepleit aan de hand van pleitnotities die zij aan het Centraal Tuchtcollege hebben overgelegd

2. Beslissing in eerste aanleg
(...)

3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het hoger beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de volgende feiten en omstandigheden.

De zoon van klaagster, F, geboren op 15 februari 2002 en overleden op 11 mei 2003, heeft op 1 mei 2003 BMR en MenC vaccinaties gekregen. Binnen een uur na de vaccinaties werd F bleek. Hij klappertandde en had 38,5 graden koorts. Klaagster heeft zich tot de praktijk van de huisarts gewend, waar de huisarts rond 18.00 uur klaagster en F heeft gezien. Hij heeft het kind, dat hij nooit eerder gezien had, terwijl dat was gezeten op de schoot van de grootvader, die was meegekomen, gealarmeerd door de bezorgdheid van klaagster omtrent de bij haar kind manifeste verschijnselen, onderzocht. Daarbij is het kind niet geheel ontkleed geweest. De bevinding van de huisarts was dat F op dat moment niet kon worden aangemerkt als een ernstig ziek kind. F was niet suf en vertoonde geen tekenen van meningeale prikkeling. Hij heeft naar hart en longen geluisterd en heeft vastgesteld dat er geen sprake was van nekstijfheid. Bij aanvang en eind van het consult heeft hij de temperatuur opgenomen, die een opgaande lijn vertoonde. Bij gebreke van alarmerende signalen heeft de huisarts voorlopig gedacht aan een griepje.

Bij het verlaten van de spreekkamer heeft klaagster aandacht gevraagd voor een vlekje op het been van F. De huisarts heeft dit plekje bekeken en is tot de conclusie gekomen dat dit veroorzaakt was door krabben. Hij heeft klaagster geïnstrueerd om F paracetamol te geven en in het geval de toestand van F niettemin zou verergeren of in het geval hij suf zou worden, de huisartsenpost te bellen.
Tijdens het consult is ter sprake geweest of er een verband kon bestaan tussen de symptomen van F en de eerder die dag toegediende vaccinaties. Op aandringen van klaagster heeft de huisarts telefonisch contact opgenomen met een kinderarts, teneinde te verifiëren of er een verband kon bestaan tussen de vaccinaties en het ziektebeeld. Deze kinderarts heeft dit bevestigd en het vermoeden van de arts omtrent de mogelijkheid van een griepje niet bestreden. In dit telefoongesprek heeft de huisarts geen melding gemaakt van het gegeven dat het kind volgens de moeder lijkbleek en asgrauw zag. Dat was ook niet de bevinding van de huisarts, die klaagster gerustgesteld heeft en heeft geadviseerd om niet 112 te gaan bellen ‘omdat die toch alleen maar onnodig in zo’n kind gaan prikken’.

Toen de koorts twee uur later was opgelopen naar 40,2 graden, heeft klaagster de arts wederom gebeld. Het bleek toen dat het kind nog geen paracetamol had gehad. De huisarts stelde klaagster opnieuw gerust en hij heeft haar gezegd de paracetamol te geven en voor verdere vragen de dokterspost te bellen.
Omstreeks 3.10 uur, toen de koorts opgelopen was tot 40,7 graden, heeft klaagster de dokterspost gebeld. Zij werd daar te woord gestaan door de assistente van de dokterspost, alwaar verweerster in de zaak 2005/059, hiervoor en in het vervolg aangeduid als huisarts 2, dienst had. Van dit gesprek bevindt zich een transcriptie bij de stukken. Blijkens deze woordelijke weergave van het gesprek heeft klaagster gemeld dat zij twee maal contact heeft gehad met de huisarts en dat deze haar gezegd had te bellen naar de dokterspost als de koorts aanhield. Klaagster heeft gemeld het kind nu al de hele nacht in de gaten te houden en het hartstikke eng te vinden. Zij had inmiddels paracetamol toegediend en niettemin was de koorts nog hoger opgelopen.

Klaagster meldde ongevraagd dat het kind vlekjes op zijn lichaam vertoonde. Daarop heeft de assistente gevraagd of hij goed dronk en plaste. Zulks werd door klaagster bevestigd. Verderop in het gesprek meldt klaagster: ‘Ik vind al die vlekjes op zijn lichaam zo eng.’ De assistente heeft daarop gevraagd: ‘En die vlekjes, als u erop drukt, gaan die dan weg?’ Klaagster heeft daarop gezegd: ‘Ja, dat .... toen hij baby was, heb ik het ook al een keer meegemaakt en ja toen ging het ook niet echt... Ja hoe kan ik het zeggen, het kan ook een soort uitslag zijn van de koorts of van de paracetamol, maar ja, omdat hij zo naar is, je haalt je van alles in het hoofd. Ik loop even naar hem toe.’ Hierop is de assistente verder niet in gegaan en heeft klaagster uitgevraagd over eventuele nekstijfheid en/of stuiptrekken waarvan geen sprake was. Even later heeft de assis­tente het gesprek onderbroken om even met de dokter (huisarts 2) te overleggen. Klaagster bleef aan de lijn. De assistente heeft daarna gezegd: ‘Ik heb even met de dokter overlegd en u hoeft zich geen zorgen te maken. Waarschijnlijk is het gewoon puur toeval dat hij dit één uur na de BMR en meningokokkenvaccinatie heeft gekregen en eh... dat een kind van die leeftijd zulke hoge koorts heeft, dat is niet echt schrikbarend, dat hij goed drinkt en gewoon nog natte luiers heeft, niet aan het braken is en gewoon nog goed reageert … hoeft u zich verder geen zorgen te maken. Het enige wat ze zei is dat u wel in de gaten houdt vannacht dat hij ook goed blijft drinken en dat hij niet suf wordt.’ Het telefoongesprek werd afgesloten met de mededeling dat klaagster het in de gaten zou houden en bij twijfel gewoon weer zou bellen. Klaagster heeft de assistente bedankt en gevraagd of de dokter nog iets had gezegd over rode vlekjes. De assistente heeft daarop gezegd: ‘Nee, kon ook geen kwaad.’

Omstreeks 6.20 uur heeft klaagster opnieuw de dokterspost gebeld en met dezelfde assistente gesproken. Letterlijk weergegeven heeft klaagster onder meer het volgende gezegd: ‘Ik ben helemaal niet gerust op die vlekjes allemaal, ik kan het niet beoordelen, ik ben geen dokter. Ik maak me er gewoon heel erg druk om.’ De assistente heeft haar daarop gezegd om 7.15 uur even langs te komen en dat de dokter dan even zou kijken. Klaagster heeft gevraagd of ze dan wel meteen aan de beurt zou zijn, waarop de assistente heeft gezegd: ‘Ik denk het wel, ze is visite aan het rijden. Dan is ze om 7.15 uur weer terug, dus dat moet lukken.’ Het staat vast dat de huisarts (huisarts 2) ten tijde van dit gesprek op de dokterspost aanwezig was en niet visite aan het rijden was, noch zou gaan.  

Omstreeks 6.45 uur heeft klaagster 112 gebeld en is zij verbonden met de alarmcentrale ambulancedienst. Daar is zij te woord gestaan door de verpleegkundige die verweerster is in de zaak 2005/060. Klaagster heeft uitgelegd al de hele nacht met haar zoontje te tobben, contact met haar huisarts en de huisartsenpost gehad te hebben en het helemaal niet te vertrouwen en te denken dat hij naar het ziekenhuis moet. Zij heeft melding gemaakt van rode vlekken: ‘echt gewoon knalrood, net alsof er bloed op zit’. Klaagster heeft aangegeven zelf naar het ziekenhuis te willen rijden, maar niet te weten welk en te denken dat hij gewoon zo’n meningokokken-iets heeft. De verpleegkundige heeft gepoogd klaagster gerust te stellen en heeft haar geadviseerd de dokterspost te bellen en te vragen of zij daar meteen naartoe kon komen en heeft aangeboden zelf voor haar te bellen, mocht het met de dokterspost niet lukken.

Klaagster heeft rond 6.50 uur de eigen huisarts opnieuw gebeld. Deze nam de telefoon op, terwijl hij zich in zijn badkamer gereed stond te maken voor de dag. Hij had op dat moment niet de beschikking over telefoonnummers en patiëntgegevens. Hij heeft haar dringend geadviseerd terstond naar de huisartsenpost te gaan. Uit het journaal van de huisarts blijkt dat hij op dat moment niet wist of op de huisartsenpost een arts aanwezig zou zijn.
Op de huisartsenpost aangekomen, rond 7.00 uur, moest klaagster in de wachtkamer plaatsnemen. Nadat zij de assistente had aangespoord de arts te halen, werd F door de arts (huisarts 2) bekeken. Deze heeft onmiddellijk telefonisch overleg gepleegd met de dienstdoende kinderarts in het G-ziekenhuis. In eerste instantie heeft zij bij klaagster geïnformeerd of deze zelf F naar het ziekenhuis zou brengen met de eigen auto, maar uiteindelijk zijn moeder en kind, vergezeld van de huisarts (huisarts 2), in de dienstauto van de dokterspost naar het G-ziekenhuis gebracht. Aangekomen op de spoedeisende eerste hulp is de huisarts weggegaan om de vader van F op te vangen.

De kinderarts constateerde een meningeale sepsis. Aan de gevolgen daarvan is F op 11 mei 2003 overleden. Uit de bloedkweek en  -typering werd later vastgesteld dat het om een meningokok van serogroep B ging. Het ziektebeeld hield derhalve geen verband met de vaccinatie.

4. De klacht
De klacht komt - zakelijk weergegeven - op het volgende neer.

1. Het telefoongesprek tussen de huisarts en de kinderarts, dat de huisarts op verzoek van klaagster gevoerd heeft, diende ertoe om na te gaan of een verband zou kunnen bestaan tussen de vaccinaties die F. ’s middags had gekregen en de symptomen die hij kort daarop vertoonde. Klaagster verwijt de huisarts dat deze niet aan de kinder­arts heeft gemeld dat F. lijkbleek en asgrauw zag.
2. Klaagster verwijt de arts dat hij ondeskundig heeft gehandeld en dat hij heeft gehandeld in strijd met hetgeen van een zorgvuldig handelend huisarts in een situatie als deze mag worden verwacht en dat hij de symptomen van F. heeft gebagatelliseerd. Hij heeft nagelaten F. zorgvuldig te onderzoeken tijdens het consult op 1 mei 2003 om 18.00 uur. Hij heeft de toestand van F. gebagatelliseerd blijkens zijn opmerking aan het adres van klaagster bij het verlaten van de praktijk: ‘Je gaat toch niet 112 bellen hè? Die gaan toch alleen maar in dat kindje prikken.’
3. Hij heeft onzorgvuldig gehandeld waar hij heeft nagelaten de dokterspost op de hoogte te stellen van het feit dat hij om 18.00 uur en om 21.00 uur was geconsulteerd voor een ziek kind. Dit klemt temeer nu hij F. nooit eerder had gezien en blijkens zijn adviezen aan de moeder van F. aan meningitis dacht.

5. Beoordeling van het hoger beroep
5.1 De essentie van de, in de zaken tegen de twee huisartsen en de verpleegkundige aan het rechterlijk oordeel onderworpen, klachten is, dat F en zijn ouders in de periode vanaf het eerste consult bij de huisarts tot de opname in het G-ziekenhuis niet de zorg hebben gekregen waarop zij aanspraak konden maken. Dat klaagster in zoverre terecht en op goede gronden klaagt, kan vrijwel zonder nadere toelichting worden afgeleid uit de door het Centraal Tuchtcollege onder 3. vastgestelde feiten.
Veel moeilijker is de beoordeling van de vraag of en in hoeverre de huisarts (en in de zaak onder nummer 2005/059 de hierboven als huisarts 2 aangeduide huisarts die gedurende de nacht dienst had op de huisartsenpost en in de zaak onder nummer 2005/060 de verpleegkundige die die nacht de Centrale Post Ambulance­vervoer D. als centraliste bemande) hiervan een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

5.2 Toen de huisarts op 1 mei 2003 omstreeks 18.00 uur het patiëntje voor het eerst zag, heeft hij bij gebrek aan alarmerende verschijnselen in redelijkheid tot een afwachtend beleid kunnen komen. Gelet op zijn bevindingen, een levendig kind, dat geen ernstig zieke indruk maakte en geen tekenen van meningeale prikkeling vertoonde, was de reikwijdte van zijn lichamelijk onderzoek adequaat te noemen en zijn beleid, paracetamol toedienen, verder beloop afwachten en bij aanhouding of verergering van de klachten de dokterspost bellen, verantwoord. De huisarts heeft op aandringen van de moeder een kinderarts geconsulteerd over de vraag of de symptomen van F verband konden houden met de eerder die dag toegediende vaccinaties. Hij heeft daarbij geen melding gemaakt van lijkbleekheid van het kind of een asgrauwe huid, omdat deze wellicht wel in de waarneming van de moeder aanwezig waren, maar niet in zijn eigen waarneming. De huisarts heeft in zijn consult een verantwoord midden gezocht tussen enerzijds geruststelling van de moeder en anderzijds alertheid op het verdere verloop. Dat hij daarbij, vermoedelijk gekscherend de moeder heeft vermaand niet lichtvaardig 112 te bellen, is gelet op het dramatische en fatale verloop van het ziektebeeld in terugblik - op z’n zachtst gezegd - ongelukkig te noemen, maar het zou te ver voeren de huisarts daarvan een tuchtrechtelijk verwijt te maken.

5.3 Toen klaagster enkele uren later de huisarts telefonisch raadpleegde, bleek dat het door hem voorgestelde beleid, het afwachten van het effect van toedienen van paracetamol, nog niet te zijn ingezet. Afgezien van het verder oplopen van de koorts tot 40,2 graden, zijn tijdens dit telefonische consult geen nadere verontrustende verschijnselen onder de aandacht van de huisarts gekomen. Hij sprak met klaagster op een moment dat hij geen dienst meer had en het door hem gegeven advies om de dokterspost te bellen in geval van aanhouding dan wel verslechtering van de klachten was op dat moment verantwoord.

5.4 Hierbij dient uitdrukkelijk de volgende kanttekening te worden geplaatst. De huisarts was op deze eerste mei twee maal benaderd voor een hulpvraag ten aanzien van een jong kind met hoge koorts. Het lijdt geen twijfel dat hij, bij een aansluitend vervolg op de tweede hulpvraag gedurende de nacht in geval van aanhouding of verslechtering van de verschijnselen bij het kind, het kind opnieuw zou hebben moeten onder­zoeken. Zo ver is het echter niet gekomen, omdat de huisarts geen dienst had en klaagster en haar zoontje voor het verdere verloop gedurende de nacht waren aangewezen op de zorg van de huisartsen­post.

5.5 Tijdens de parlementaire behandeling die geleid heeft tot de totstand­koming van de thans in Nederland geregelde huisartsendienstenstructuren is ter sprake geweest, dat met de huisartsenzorg gedurende avond, nacht en weekend huisartsenzorg van dezelfde kwaliteit en inhoud bedoeld wordt als huisartsenzorg die geleverd wordt buiten avond, nacht en weekend (Stb. 2001, 525, p. 4). Het is een onderdeel van de voorziening in de huisartsendienst gedurende avond, nacht en weekend, dat de triage van de gedurende die periode nieuw aangemelde gevallen in de praktijk kan worden overgelaten aan niet tot arts opgeleid en niet BIG-geregistreerd personeel. Waar echter uit het in rechtsoverweging 5.4 overwogene volgt dat de huisarts gedurende die nacht bij een aansluitende derde serieuze hulpvraag het kind opnieuw had moeten onderzoeken, is voor een dergelijke triage geen plaats. Dit betekent dat het op de weg van de huisarts lag om contact op te nemen met de huisartsenpost teneinde te bewerkstelligen dat het patiëntje, indien zich gedurende de nacht een vervolg op de hulpvraag zou aandienen, door een arts gezien zou worden, dan wel dat een arts zich telefonisch van de noodzaak daarvan zou vergewissen. Door zulks na te laten heeft de huisarts klaagster in de fuik laten lopen van een triage door een niet-arts, zulks terwijl voor een triage geen plaats is bij een herhaalde hulpvraag inzake een ziek kind met hoge koorts. In zoverre is hem een tuchtrechtelijk verwijt te maken. Dat hij geen verantwoordelijkheid kan dragen voor de inhoud en de kwaliteit van die triage, doet daar niet aan af.

5.6 Het Centraal Tuchtcollege is zich ervan bewust dat de hier gestelde eis een strenge is en overweegt dat het hier gemaakte verwijt aan de huisarts berust op de meest geringe mate van verwijtbaarheid waarop een tuchtrechtelijke veroordeling kan berusten. Niettemin acht het Centraal Tuchtcollege uit het oogpunt van kwaliteitsbewaking in de gezondheidszorg het noodzakelijk om niet eens zozeer deze huisarts, als wel de beroepsgroep in zijn geheel te attenderen op het in deze zaak manifeste gevaar van een ondeskundige triage bij een herhaalde hulpvraag in het geval van kinderen met koorts.

5.7  Toen de huisarts in de vroege ochtend opnieuw door de moeder van F werd gebeld, heeft hij haar dringend geadviseerd terstond naar de huisartsenpost te gaan. De huisarts heeft hiermee de optie om zelf 112 te bellen en ambulancevervoer te regelen naar het ziekenhuis terzijde geschoven. Het argument van de huisarts dat hij ten tijde van het telefoongesprek met klaagster geen telefoonnummers tot zijn beschikking had, kan geen stand houden nu het nummer 112 als bekend verondersteld mag worden bij een huisarts. Uit het medisch journaal van de huisarts blijkt uit de aantekening ‘indien de arts daar nog niet zou zijn ter plaatse verder beslissen’, dat hij op het moment van dit advies niet zeker wist of er wel een huisarts aanwezig was op de huisartsenpost. Nu de huisarts met deze wetenschap er toch voor heeft gekozen klaagster naar de huisartsenpost te sturen, heeft hij het risico genomen dat de behandeling van F onnodige vertraging op liep. De huisarts had op de hoogte als hij was van de aard van de hulpvraag en van het feit dat dit een herhaalde hulpvraag was de regie in handen moeten nemen. Dat hij op het moment van dit telefoongesprek geen dienst had, verontschuldigt hem niet ten volle, daar hij er rekening mee moest houden dat directe en adequate zorg voor F behorend bij een herhaalde hulpvraag, op de huisartsenpost onvoldoende gewaarborgd was.

5.8 Het voorgaande betekent dat het Centraal Tuchtcollege klachtonderdeel 3 gegrond acht. De beslissing waarvan beroep kan derhalve niet in stand blijven. Ten aanzien van de vraag naar de op te leggen maatregel overweegt het Centraal Tuchtcollege, dat aan de huisarts geen gebrek aan betrokkenheid met klaagster en haar kind kan worden verweten. Hij had moeder en kind op 1 mei 2003 omstreeks 18.00 uur gezien op een moment dat zijn periode van dienst af liep. Het toen door hem bepaalde beleid was verantwoord. Gedurende de daarop volgende avond en nacht heeft hij zich, hoewel hij geen dienst had, niettemin voor zijn patiënten bereikbaar gehouden. In zoverre is zijn inzet groter geweest dan van hem gevergd hoefde te worden. Dat hij in de loop van de nacht, gedurende welke naar het Centraal Tuchtcollege aannemelijk acht, zich voor het eerst verontrustende verschijnselen bij F manifesteerden, heeft nagelaten te bewerkstelligen dat moeder en kind zonder voorafgaande triage gezien konden worden op de huisartsenpost en de regie in onvoldoende mate in handen heeft genomen, maakt dat de klacht niet als ongegrond kan worden aangemerkt. Dat hij gedurende de nacht geen dienst had, maakt dit niet anders, nu hem niettemin om bijstand is gevraagd en hij deze ook heeft verleend.

In het onderhavige geval is er gelet op al het voorgaande geen sprake van ernstige verwijtbaarheid en wordt ten aanzien van de triage een gedragsregel geformuleerd die niet eerder in alle scherpte geformuleerd is. Onder deze omstandigheden is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat volstaan moet worden met de vaststelling dat de klacht gegrond is. Het opleggen van een maatregel wordt achterwege gelaten.
Zoals overwogen, gaat het er niet zozeer om dat deze huisarts gewaarschuwd wordt, die ter terechtzitting ervan blijk heeft gegeven voor de rest van zijn werkzame leven voldoende gewaarschuwd te zijn door het voorgevallene, als wel de gehele beroepsgroep. Een waarschuwing uitdrukkelijk gericht aan alle huisartsen voor het gevaar van een ondeskundige triage in een situatie waarin voor triage geen plaats is en een triage die een ongeoorloofde inbreuk maakt in de sequentie van hulpvragen. Ingevolge artikel 71 van de Wet BIG bepaalt het Centraal Tuchtcollege op gronden ontleend aan het algemeen belang dat deze beslissing zal worden bekend gemaakt op de wijze zoals hieronder vermeld.

6. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

- vernietigt de beslissing waarvan hoger beroep;
- verklaart de klacht in het derde onderdeel gegrond en voor het overige ongegrond;
- bepaalt dat geen maatregel wordt opgelegd; (...)

Bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant, en zal worden aangeboden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Gezondheidszorg Jurisprudentie en Medisch Contact met het verzoek tot plaatsing.
Deze beslissing is gegeven in raadkamer door mr. R.A. Torrenga, voor-zitter, mr. A.P.M. Houtman en mr. A.H.A. Scholten, leden-juristen en M.G.M. Smid-Oostendorp en B.P.M. Schweitzer, leden-beroepsgenoten en mr. H.J. Lutgert, secretaris en uitgesproken ter openbare zitting van 30 mei 2006, door mr. H. Uhlenbeck-Lagerweij, in tegenwoordigheid van de secretaris.

 

 

bron: www.artsindefout.nl

 
<< Begin < Vorige 1 2 3 4 5 6 7 8 Volgende > Einde >>

Resultaten 64 - 72 van 72
youtube_logo.png
Bekijk onze reportages op YouTube.
Nieuwflitsen
  • Pause
  • Previous
  • Next
1/4
telecamera.jpg
VIDEO: John Kleijn wraakt rechter wegens belangenverstrengeling.- brief 6 wrakingspunten
John Kleijn wraakte afgelopen woensdag, 25 augustus 2010, via goede vriend W.van Meegen zesvoudig de rechter inzake belangenverstrengeling en mogelijke partijdigheid in het kortgeding  m.b.t. de aansprakelijkheid van het Ziekenhuis Radboud te Nijmegen, voor het overlijden van zijn zoon Dimitri door medische fouten. 
Klik hier voor de videobeelden
Klik hier voor de evaluatievideo
 

Petitie

DRAAG UW STEENTJE BIJ EN TEKEN DE PETITIE
BETROUWBAARHEID VAN HET HPV VACCIN

Klik hier

TEKEN DE PETITIE TEGEN DE PNVD

Klik hier

GEEF SLACHTOFFERS EN NABESTAANDEN VAN MEDISCHE FOUTEN EEN STEM

Klik hier



7-12-09.jpg

geschenkenzoeker_klein.jpg

Stichting Dimitri

st_dimitri_logo_150x150.gif
 

Bijna dagelijks worden wij geconfronteerd met medische blunders die een dodelijke afloop hebben, of waarbij slachtoffers tijdelijk of zelfs blijvend letsel oplopen.

Dimitri.nu heeft zich, mede door eigen ervaring, als taak gesteld op te komen voor deze slachtoffers en een halt toe te roepen aan het verstoppertje spelen van medici en zelfs politici. Het kan niet langer zo!

Hiervoor is een stichting opgericht die de belangen zal behartigen van al die mensen die geen gehoor vinden wanneer zij te maken krijgen met medische blunders.

 

dimitri.nu

IP Blocker

Erkenning Stichting Dimitri

Sterfdag Dimitri

Op 21 juni 2010, gedenken wij onze lieve zoon Dimitri, die na vele medische fouten het leven heeft moeten laten. Wij doen dit in besloten kring.

logo_145.jpg

Stichting Dimitri is door de belastingdienst aangewezen als:
anbi_small.jpg

 

Nieuwsbrief

Dimitri.nu Nieuwsbrief


Ontvang HTML?

Rectificatie

Naar aanleiding van een uitzending van ‘Undercover in Nederland’ van Alberto Stegeman van 4 januari 2009 zijn er sindsdien op deze website verschillende berichten geplaatst waarin uitlatingen zijn gedaan over de heer N. Mul. De voorzieningenrechter te Arnhem heeft bij vonnis van 18 juni 2010 geoordeeld dat ik, John Kleijn, onrechtmatig heb gehandeld jegens de heer Mul, voor zover het ten aanzien van deze geplaatste berichten gaat om uitlatingen die de strekking hebben de heer Mul neer te zetten als pedofiel of die de heer Mul in verband brengen met pedofiele praktijken en/of kinderporno.

De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat hiervoor geen feitelijke basis bestaat, zodat dergelijke uitlatingen slechts waardeoordelen betreffen die als onnodig grievend en beschadigend voor de heer Mul kunnen worden aangemerkt. De voorzieningenrechter heeft mij veroordeeld tot het plaatsen van deze rectificatie.

John Kleijn

Meer informatie ...

Wie is er online

We hebben 10 gasten en 1 lid online
Bezoekers tot nu toe: 7706344 Bezoekers